Zoeken

Het Franse energie- en industriebeleid

Auteur

Pieter Boot

Na Zweden, Spanje en Duitsland werpt Pieter Boot een blik op het energie- en industriebeleid in Frankrijk. Een recente peiling door Ipsos liet zien dat de Fransen de somberaars van Europa zijn. Slechts 10% van de ondervraagde Fransen vindt dat de economische situatie er goed is, tegen 30% in Duitsland en 37% in Nederland. Niet raar als er zeven regeringen sinds het voorjaar van 2024 zijn geweest. Toch gebeuren er ook heel interessante dingen. 

Allereerst de kernenergie. In 2022 was dit een drama, de helft van de centrales draaide niet door groot onderhoud of te warm koelwater. Dat is allemaal gerepareerd. De productie vloog omhoog, waardoor Frankrijk in 2024 een record aan elektriciteit exporteerde, wat in 2025 nog eens werd overtroffen. De productie van kernstroom zorgde voor een lage stroomprijs voor industriële grootverbruikers ten opzichte van Duitsland of Nederland: met 72 euro/MWh (inclusief netwerkkosten en belasting) ongeveer 20% lager dan in Duitsland en 15% minder dan het Europees gemiddelde. Hierin speelde een interessant mechanisme een rol: de wettelijk vastgelegde prijs die producent EDF moest rekenen voor een deel van de kernstroom aan grootverbruikers of doorverkopers (ARENH). Tot eind 2025 bedroeg deze slechts 42 euro/MWh. Al vele jaren geleden had Europa bepaald dat dit uit concurrentie-overwegingen vanaf 2026 niet meer toegestaan zou worden en er is lang onderhandeld over wat daarvoor in de plaats zou komen. Dit raakte aan de positie van EDF. De vorige CEO van EDF zag het bedrijf in de eerste plaats als een gewone onderneming, weliswaar ingebed in Frankrijk, maar verder in de wereld om zijn eigen broek op te houden. President Macron vond dit niet passend en ontsloeg hem in het voorjaar van 2025. Zo gaat dat daar. De huidige CEO heeft dat goed in zijn oren geknoopt: EDF is er om de levensvatbaarheid van de Franse industrie te ondersteunen en moet zo goedkoop mogelijk kerncentrales in Frankrijk draaien en nieuwe bouwen. Zelfs in tijden van politieke verlamming gaat deze vorm van industriebeleid gewoon door.

Ook is er een brede wens de toeleveranciersketen naar bouw en onderhoud van centrales te versterken: re-industrialisatie. Er kwamen nieuwe purchasing power agreements met grote afnemers, de laatste begin januari 2026 met ArcelorMittal voor 18 jaar. De omvang en prijs is niet bekend, maar het zal ergens tussen 50 en 70 euro/MWh kunnen zijn. Tegelijk met het afsluiten van deze PPA werd bekend dat de bouw van zes nieuwe grote EPR2 kerncentrales 72,8 miljard euro zou kosten (in prijzen van 2020, dus tel er nog maar wat bij op), tegen een verwachte 51,7 miljard vier jaar geleden. Verwacht wordt dat de definitieve investeringsbeslissing eind dit jaar valt en dan start er steeds na 1,5 jaar een nieuwbouw. Tegelijk heeft EDF om te beginnen 6 miljard Euro uitgetrokken voor het begin van de levensduurverlenging van 20 bestaande centrales van elk 1300 MW. Ook dat is een spannend project: deze zijn in de periode 1985-1993 op het net aangesloten met een verwachte levensduur van 40 jaar. Juridisch mogen ze echter langer blijven draaien als de nucleaire autoriteit daar toestemming voor geeft, wat steeds na onderzoek voor een periode van 10 jaar mogelijk is. Levensduurverlenging is uiteraard veel goedkoper dan de bouw van nieuwe. Het project zou in 2040 afgerond kunnen zijn. 

“Hoewel er in het algemeen politieke overeenstemming is over het belang van kernenergie, is dat er niet over de rest van de energiemix”

Hoewel er in het algemeen politieke overeenstemming is over het belang van kernenergie, is dat er niet over de rest van de energiemix. Linkse partijen willen meer opschieten met hernieuwbaar dan rechtse. Als gevolg hiervan lukt het niet om een meerjaren-energieplan (het zogenaamde PPE3) door het parlement te krijgen. Dat is belangrijk, omdat in Frankrijk wetgeving de basis van beleid is. Het huidige PPE2 voor de periode 2019-2028 voorziet per saldo bijvoorbeeld nog sluiting van kerncentrales. Zonder nieuw PPE kunnen er ook geen nieuwe tenders voor wind-op-zee uitgeschreven worden.  Al in het voorjaar van 2025 werd PPE3 ter consultatie vrijgegeven. Omdat er nog geen formeel besluit over genomen is, moet men het daarmee doen. Tot 2035 zal de extra vraag naar elektriciteit door hernieuwbaar opgevangen worden, Frankrijk wil zo min mogelijk van derde landen afhankelijk zijn.

Formeel is er ook nog geen lange termijn klimaatbeleid. Dit is opgevangen door op de dag dat het Klimaatakkoord van Parijs tot stand kwam een provisorisch klimaatplan (SNBC3) te publiceren, dat dit voorjaar na consultatie als regeringsbesluit zal worden vastgesteld. Dit plan laat onder andere zien hoe sterk de broeikasgasemissies moeten afnemen en hoeveel investeringen daarvoor nodig zijn. De achterliggende cijfers zijn zorgwekkend. Al jarenlang dalen de emissies minder dan wat nodig is om het 2030-doel te realiseren, mede  door de ongunstige gang van zaken in het landgebruik waar bossen steeds minder CO2 opnemen. Maar ook blijkt hier dat in de industrie slechts 1 miljard per jaar in decarbonisatie wordt geïnvesteerd, waar 5 miljard nodig zou zijn. 

Zo zijn we weer bij de industrie. Het aandeel industrie in het bruto nationaal product is weliswaar sinds 2020 constant (ruwweg evenveel als in Nederland), maar als gezegd ontbreken onderdelen. Aan plannen en afspraken ligt het niet. In 2023 zijn er afspraken gemaakt met de grote energie-intensieve sectoren als chemie, glas en staal om de broeikasgasemissies in 2030 te verminderen. Belastingreducties op groene investeringen werden uitgebreid en steun voor nieuwe technologie als batterijproductie en groene waterstof geïntroduceerd. Interessant is dat hierbij ook de versterking van regionale industrieclusters expliciet werd benoemd. Dit heeft tot nieuwe afspraken geleid. Het al genoemde ArcelorMittal heeft bijvoorbeeld vorig jaar besloten dat de verleende subsidie voor vergroening van de staalproductie in Duitsland wordt teruggegeven en in België in de ijskast wordt gezet, maar in Frankrijk – zij het op kleinere schaal dan aanvankelijk voorgenomen – doorgaat. 

Dus laten we niet denken dat industriebeleid ergens in Europa makkelijk is. Het is vallen en opstaan. Frankrijk is te prijzen dat het niet bij de pakken neerzit en gewoon doorgaat. Maar ook hier blijkt dat onzekerheid over uitwerking van beleid niemand helpt. 

Pieter Boot

Pieter Boot is verbonden aan het CIEP en was sectorhoofd bij het PBL