Zoeken

Het einde van het marktfundamentalisme

Auteur

Anton Buijs

Het klimaatvraagstuk is volgens Anton Buijs te groot en bedreigend om teveel aan de markt over te laten.

Welke rol komt de vrije markt toe in het tegengaan van (verdere) klimaatverandering? Moet de staat de regie nemen en zich actief bemoeien met de uitvoering. Of laten we het primaat bij particuliere investeerders en marktpartijen, die daarbij een handje worden geholpen met subsidies en voor iedereen geldende wetten en regels, maar liefst niet te veel?

Wie deze vraag probeert te beantwoorden, begeeft zich in een debat dat al heel lang woedt. Dit najaar publiceerde de New York Times een reeks artikelen over de staat van het kapitalisme. Aanleiding was het 50-jarig jubileum van een baanbrekend essay van de econoom en Nobelprijswinnaar Milton Friedman. Het verscheen destijds in dezelfde krant. De titel vatte mooi samen wat de auteur kwijt wilde: The social responsiblity of business is to increase its profits. Alle andere mogelijke bedrijfsdoelstellingen, zoals scheppen van werkgelegenheid, voorkómen van milieuvervuiling, tegengaan van discriminatie en al het andere wat in de categorie maatschappelijk verantwoord ondernemen valt, zag Friedman als ondermijning van wat hij een ‘vrije samenleving’ noemde. Hij vond dat ondernemingen maar met één stakeholder rekening hadden te houden, de aandeelhouder. Zolang die tevreden was en binnen de regels van de wet werd geopereerd, deden bedrijven wat ze moeten doen: welvaart genereren. En daar, vond deze eminente wetenschapper, profiteerde uiteindelijk iedereen van, rijk of arm, wit of zwart, hoog of laag opgeleid. Friedman vond het simpel: the business of business is business. Meer niet.

“Maatschappelijke gevolgen neoliberale denken leiden nog steeds tot verhitte discussies”

Milton Friedmans analyse is bijzonder invloedrijk gebleken en was een belangrijke inspiratiebron voor het neoliberalisme, dat sinds de jaren ‘80 de markteconomieën in meer of mindere mate heeft beheerst. De kern ervan is een vrijwel ongebreideld geloof in de economische zegeningen van de vrije markt: Deregulering, privatisering en verzelfstandiging van overheidsinstanties en staatsbedrijven waren er het natuurlijke gevolg van, ook in Nederland.

Toegegeven, deze, overigens niet echt nieuwe filosofie (denk aan het laisser faire-kapitalisme van de 19de eeuw), is vanuit een oogpunt van welvaartscreatie bijzonder succesvol geweest. Welvaart is echter, zoals bekend, iets anders dan welzijn. De maatschappelijke gevolgen van het neoliberale denken leiden tot op de dag van vandaag tot verhitte discussies. In rechts-conservatieve kringen houdt men vast aan het idee dat het alternatief, meer staatsinterventie in de economie, ten koste gaat van de winstgevendheid van bedrijven en aldus door het bijbehorende verlies van werkgelegenheid en belastinginkomsten juist asociale gevolgen heeft. Links loopt te hoop tegen de perverse effecten van een te weinig activistische overheid. Denk aan de groeiende kloof tussen rijk en arm en een reeks van andere uitwassen die, aldus de critici, worden veroorzaakt doordat primair de aandeelhouder te vriend moet worden gehouden. En die vriendschap gaat door de portemonnee. Zelfs grote institutionele beleggers zoals pensioenfondsen, die zeggen meer rekening te willen houden met de maatschappelijke waarde van bedrijfsactiviteiten, moeten zich eerst en vooral laten leiden door de financiële belangen van hun deelnemers.

“Energie is in Nederland altijd een mix van publiek en privaat geweest”

Onder de negatieve effecten van het kapitalisme à la Friedman kunnen we ook het kennelijke onvermogen van energieconcerns rekenen om zelfstandig, zonder actief overheidsingrijpen, het klimaatvraagstuk op te lossen. Bedrijven, in het bijzonder de beursgenoteerde, streven nu eenmaal om de hierboven genoemde reden naar winstmaximalisatie. Als energieconcerns aan fossiele brandstoffen meer kunnen verdienen dan aan, nu vaak nog verliesgevende, duurzame alternatieven, zullen ze daarin het meeste willen investeren. Zo niet, dan lopen de investeerders weg en wordt de continuïteit van de onderneming op het spel gezet.

Hoe moeten we dit probleem oplossen? Het eerste antwoord op die vraag is: met regulering. Door beleid te maken, bijzondere maatregelen te nemen, wetten uit te vaardigen en financiële instrumenten in te zetten die bedrijven dwingen of aanmoedigen om hun emissies te verminderen (zie hiervoor ook mijn vorige Energiepodium-column). Maar niet alleen dat: de energietransitie is daarvoor te groot en te complex. En daarvoor hebben we een overheid nodig die verder gaat dan doelen stellen, regels maken en subsidiëren en zich actief bemoeit met de uitvoering.

Dit is op zich niets nieuws. Energie is in Nederland altijd een mix van publiek en privaat geweest. Deze samenwerking tussen staat en particuliere bedrijven heeft ons land in het verleden geen windeieren gelegd en verdient een nieuwe impuls en uitbreiding. De centrale overheid moet op energiegebied weer sturend durven zijn. Het blijft dan natuurlijk de vraag hoe ver die sturing moet gaan. Met andere woorden: wat doet de staat en wat laten we exclusief bij het bedrijfsleven? Zou de overheid weer actief en financieel moeten deelnemen in de volledige energieketen, zoals nu nog steeds in de aardgassector, dat wil zeggen van het produceren en leveren tot het vermarkten van duurzame energiebronnen en –dragers? Moet de rol van de staatsbedrijven Gasunie, TenneT en EBN worden verbreed? Moet de liberalisering van de energiemarkt, die sinds de jaren ‘90 is doorgevoerd, (deels) worden teruggedraaid? Kiezen we voor een rijksdienst zoals Rijkswaterstaat of vroeger de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders , die bevoegd is eenmaal genomen besluiten van de politiek uit te voeren en daarvoor min of meer onafhankelijk van ministeries, provincies en gemeenten mag en kan opereren.

“Minister Wiebes van EZK doet bij elk gemist klimaatdoel of er weinig aan de hand is”

De geesten lijken nog niet helemaal rijp voor zo’n koerswending . Minister Wiebes van Economische Zaken en Klimaat doet bij elk gemist klimaatdoel althans nog steeds of er weinig aan de hand is. Maar er komt een moment dat er geen ontkomen meer aan is: energiepolitiek moet dan een vorm van industriepolitiek worden.

Meer overheidsbemoeienis op dit vlak zou hoe dan ook in een trend passen. Onder invloed van de Corona-crisis is de laatste tijd het ene na het andere neoliberale heilige huisje gesneuveld zoals een terugtredende overheid, strikte begrotingsdiscipline, en het afwijzen van staatssteun aan door de omstandigheden getroffen bedrijven.

Daar kan het idee dat de markt een leidende rol toekomt bij het oplossen van het klimaatprobleem, ook nog wel bij.

Anton Buijs

Anton Buijs is Manager Externe Communicatie bij GasTerra. Hij schrijft voor Energiepodium op persoonlijke titel. Op Twitter is hij te vinden via @antonbuijs