In een recent interview aan Carbon Brief legde Stark uit hoe het project wordt aangepakt.
De eerste fase van het project is vrijwel afgerond. Deze begon met het advies van de onafhankelijke system operator NESO over vraag naar en aanbod van elektriciteit in het komende decennium. Dit raakte aan een probleem waarmee meerdere Europese landen worstelen: voortdurend wordt verwacht dat de elektriciteitsvraag zal stijgen, maar in de praktijk gebeurt dat steeds maar niet. De Britse regering gaat er nu vanuit dat er een sterke toename van de elektriciteitsvraag zal zijn vanaf 2030, primair gevoed door elektrische auto's. Dit spoort wel enigszins met het recente Elektriciteitsrapport 2026 van het IEA, dat na een stagnerende vraag in het VK tot en met dit jaar, vanaf 2027 een jaarlijks toenemende groei indiceert. Het idee is dat het makkelijker is die groei op een schone manier te accommoderen als je een schone basis hebt. Nu weet men dat in 2030 het systeem niet volledig schoon kan zijn; er zijn immers nog steeds gascentrales nodig voor de tijd waarin het langduriger niet waait en de zon niet schijnt. De hoop is dat de omvang hiervan ordegrootte 5% van de elektriciteitsmix kan zijn. Een sterke toename is voorzien van wind op zee, iets minder van zon-PV en wind op land. Gepland is dat de eerste nieuwe kerncentrale van Hinkley Point C in 2030 of 2031 kan draaien (in lopende prijzen heeft deze dan 49 miljard Pond gekost). Tot nu toe is het beleid goed op dreef dit doel te halen: onlangs waren er twee succesvolle tenders. Die van wind op zee in januari leverde 8,4 GW aan contracten op, tegen een prijs van rond de 91 Pond per MWh in prijzen van 2024. Een tender voor wind op land en zon-PV in februari leverde nog eens 7,4 GW op tegen een prijs van 65 Pond voor zon-PV en 72 voor wind. De groothandelsprijs bedroeg in 2025 81 Pond. Volgend jaar zijn er weer twee van deze tenders. Als die ongeveer evenveel capaciteit opleveren komt het gestelde doel in beeld.
“Als verder voordeel van de electrostaat ziet men dat nationale industriële toeleveringsketens voor componenten van hernieuwbare elektriciteit tot stand kunnen komen”
Dat was fase 1 van de missie. In fase 2 staan de netten centraal. De volgorde van gevraagde netaansluitingen wordt herzien. Voorrang krijgen die projecten die het meest nodig zijn om het doel voor 2030 en de verwachte vraag richting 2035 te bereiken. Daartoe zijn bijvoorbeeld 88 kritieke transmissieversterkingen in beeld gebracht, die op centraal niveau ondersteund worden. Het genoemde IEA-rapport laat zien dat het VK ook duidelijk voortgang maakt met investeringen in batterijen. In 2024 dekten grootschalige batterijen al 15% van de piekvraag (bij een aandeel wind en zon in de elektriceitsmix van 35%, tegen bijvoorbeeld in Duitsland 2,5% van de piekvraag bij een aandeel wind en zon van 43%). Ondanks de wens het aandeel van gascentrales in de mix te verkleinen laten de Britten dit niet op zijn beloop. Elk jaar zijn er veilingen voor gegarandeerde toekomstige capaciteit. Gasvermogen en gegarandeerd aanbod door de interconnectiekabels leveren hier de grootste bijdrage. Aldus denkt de Britse regering de basis te leggen voor een schone elektriciteitsmix die vanaf 2030 een steeds groter aandeel in het energieverbruik kan leveren: de electrostaat. Als verder voordeel hiervan ziet men dat ook nationale industriële toeleveringsketens voor componenten van hernieuwbare elektriciteit tot stand kunnen komen. In een parallelle Industriestrategie is in beeld gebracht wat hierbij meer en minder in het VK nodig wordt geacht.
Een heel andere vraag is naar de beloofde verlaging van de prijs. Dit raakt aan een debat in verschillende Europese landen. Het heeft immers weinig zin tijdelijke tegemoetkomingen in de elektriciteitsprijs aan bijvoorbeeld energie-intensieve industrie te verschaffen als de onderliggende prijstendens opwaarts is. Hier spelen twee vragen: wanneer is te verwachten dat door een groter aandeel elektriciteit met lage marginale kosten de groothandelsprijs omlaaggaat, en hoe relevant is die groothandelsprijs? Het UK Energy Research Centre verwacht dat door de toename van hernieuwbaar opgewekte elektriciteit in 2030 gascentrales nog 60% van de tijd de marginale prijs bepalen, tegen 90% nu. Dat is van groot belang, want tot nu toe was de duurdere gascentrale de belangrijkste factor in de prijstoename van elektriciteit sinds 2021. Lastiger is het dat andere prijsfactoren, zoals de netkosten, belastingen en heffingen zwaarder in de prijs zijn gaan wegen. De aanpak van de netten moet worden betaald. Het is goed dat capaciteit gegarandeerd is, maar ook dat kost geld. De CEO van een grote Britse leverancier verwachtte onlangs dat in 2030 nog maar een-derde van de systeemkosten gerelateerd is aan de groothandelsprijs. Nu kan elke regering deze overige kosten natuurlijk beïnvloeden. Daartoe heeft ook de Britse regering een fors pakket vastgesteld. Elk huishouden krijgt vanaf april een tegemoetkoming van ongeveer 115 Pond per maand, vooral door het overhevelen van heffingen op elektriciteit naar de algemene belastingen.
De missie wekt ook politieke weerstand. Veel Britse kranten hebben Miliband tot grootste politieke tegenstander gekozen en ook de Conservatieve partij, die in het verleden de Klimaatwet aanscherpte, heeft er afstand van genomen. Maar in vergelijking met de soms veel aarzelender aanpak in andere Europese landen is de scherpte van de Britse keuzes opmerkelijk. Inzake duurzaamheid betekent het een grote stap. Maar of en wanneer het systeem daardoor goedkoper zal worden, blijft afwachten.